Home » Essays » De hoofddoek moet NIET af!

De hoofddoek moet NIET af!

Een standpunt over hoofddoeken, tyrannosaurussen en Pruisische Kant.

 

Hij schreef maar één boek. Een boek over ethiek, over een rechtvaardige maatschappij. Het verscheen in 1971 en veroorzaakte een golf van opwinding en verontwaardiging. Ik las het nog maar pas. In verwondering. Ik voelde me ongeveer zoals de archeoloog in Jurassic Parc die achter een polletje gras een levende Tyrannosaurus ziet opduiken. Ik had een Kantiaan in de 20e eeuw ontdekt. Iemand die stevig van leer trekt tegen utilistische argumenten in ethische kwesties. Iemand die vindt dat er nog altijd morele wetten bestaan die niet mogen overtreden worden. Het doel heiligt de middelen NIET. Het boek heet "A theory of justice." De man achter het boek is de politieke filosoof John Rawls. Nee, Rawls draagt geen hoofddoek. Hij schrijft er ook helemaal niet over. Maar ik zat met het boek in mijn hoofd toen de kwestie van de hoofddoek me ter ore kwam.

"Ik vind dat ze af moeten, " zei collega één. "'t Is geen gezicht."

"In hun land zijn ze niet zo tolerant," meende collega twee, "waarom zouden wij het dan moeten zijn?"

Klik, ging het in mijn hoofd. Rawls zat plots boven op de hoofddoek. Daarvoor zweefde hij wat doelloos rond tussen andere ideeën. Maar nu beet hij zich vast in het doek.

Laten we hem aan het woord laten. (Stoor u niet teveel aan de onduidelijke articulatie, het doek zit er voor iets tussen.)

Stel je voor, betoogt hij, dat je helemaal niets af weet van je toekomstige positie (rijkdom, aanleg, status) in de maatschappij waarvan je deel uit van gaat maken. Welke regels zou je dan opstellen opdat die samenleving voor iedereen rechtvaardig zou zijn?

De truc van Rawls bestaat erin om de deelnemers aan de discussie onwetend te houden van hun toekomstige situatie. Achter een "veil of ignorance" moeten ze trachten de principes te vinden die rechtvaardigheid in een samenleving garanderen. Doet u even mee? Nee, u hoeft niet echt uit de kleren te gaan: mijn verbeelding volstaat. Daar staan we dan. In onze natuurstaat, geen draad aan onze blote bast die ons vermag te onderscheiden van enig ander individu. We zien de voordelen in van samenwerking. We beseffen tegelijkertijd dat we wat van onze vrijheid moeten inleveren. Gedaan met moorden, verkrachten en roven a volonté. Nu moeten er afspraken gemaakt worden. Snapt u de truc van Rawls? Hij verhindert ons om a priori al over individuele belangen na te denken. Om te handelen vanuit eigenbelang, vanuit een verworven of te verwachten positie. Alleen zo komen we op het spoor van de zuivere principes van rechtvaardigheid. Voelt u hem komen, de hoofddoek?

We willen terecht komen in een samenleving waar voor ieder genoeg primaire goederen zijn. Je hebt immers minstens evenveel kans om arm geboren te worden als om welvarend te zijn of uitgerust met de nodige talenten! Het is duidelijk dat de rechtvaardige maatschappij zal moeten voorzien dat er voor de kansarmen moet gezorgd worden en dat de meerderheid de minderheden niet mag verdrukken. Wie wil immers in die hypothetische situatie het risico lopen om als rechteloze arme in de nog onbekende toekomst terecht te komen? (Of om zich te moeten conformeren aan de wensen van een verdrukkende meerderheid?)

Begint de hoofddoek kleur te krijgen?

De aldus verkregen afspraken, achter die sluier van onwetendheid, zullen voor iedereen aanvaardbaar moeten zijn. Ook, en zeker, voor de (toekomstige) zwakkeren, voor de minderheden.

Redenerend vanuit dit rechtvaardigheidsprincipe gaat Rawls in de aanval tegen het tot dan geldende utiliteitsprincipe dat stelde "Goed is wat goed is voor de meerderheid." Aanhangers van de utilistische moraal streven immers het maximaliseren van het geluk na, wat kan leiden tot onderdrukking van minderheden die zich moeten "opofferen" voor het algemene, grotere nut. Nu vraag ik u: (ja u daar, die al zo verveeld zit te geeuwen!): in welke gevallen is het werkelijk geoorloofd om iemands (individuele) vrijheid te beperken? Iedereen vindt het nogal wiedes dat moord en leugen niet kan (Kant's categorische imperatief staat nog altijd in de ethische hitparade!) en dat de overheid wat dat betreft voor de nodige bescherming moet zorgen middels wetten en regels. Mensen leveren graag een deel van hun vrijheid in in ruil voor meer bescherming. Hoe ver mag die overheid echter gaan in haar inmenging? Hoe ver mag zij gaan in het bepalen van de spelregels die gelden in onze scholen? Voelt u de hoofddoek al een beetje knellen?

Me dunkt dat we vanuit Rawls'rechtvaardigheidsprincipe eens een ander licht kunnen laten schijnen op de kwestie van de hoofddoek (vult u zelf maar aanverwante onderwerpen in!) Een school is immers een samenleving in het klein, waar we ons ook moeten bezinnen over de rechten en plichten van degenen die er deel van uit maken, en over de rol die de overheid mag spelen in het opleggen van bepaalde regels. De vraag die ik u, parallel met Rawls' gedachtenexperiment, voor de voeten werp luidt dan:

Stel je voor, dat je in de situatie verkeerde, waarin je nog niet wist of je als Vlaming of als Marokkaan in een school zou terecht komen, hoe zou je dan zelf willen dat die school eruitzag?

Nee, schrijf er geen boek over. Vat uw idee erover samen in een enkele zin. Condenseer het dan tot één woord. Wat u overhoudt is rechtvaardigheid in de zin die Rawls eraan gaf.

Wat de hoofddoek betreft: zet hem op. Ik zou hem ook graag hebben opgezet als dit toevallig deel uitmaakte van mijn culturele identiteit. Of denkt u dat u ermee akkoord zou zijn gegaan indien iemand - in de toestand van 'veil of ignorance'- had voorgesteld om racistische, seksistische of homofobe reflexen in de ideale toekomstige maatschappij te dulden?

Wie heft de bijl boven zijn eigen hoofd? U eerst?

 

©Jules Grandgagnage

 

 

 

Maak een Gratis Website met JouwWeb